Moederliefde: een ervaring in Indonesië

Illustratie: Mathilde ArtworkRinyFoto3
Foto’s: Riny Boeijen en archief Aziatische Tijger

Als blanke toerist krijg je in Indonesië per definitie het etiket ‘rijk’ opgeplakt. En gelijk hebben ze. Enkel voor een retourtje Jakarta zou een hulp in de huishouding een half jaar lang zes dagen per week moeten zwoegen, om over de werktijden nog maar te zwijgen. De Indonesiër maakt graag een praatje met je. Toch komt het onderwerp meestal rap op uang (geld) uit en vraagt hij zonder omweg naar de hoogte van je salaris.

Door Riny Boeijen

Meestal begin ik mijn antwoord met te vertellen hoe duur alles in Nederland is. Wat een liter benzine kost en een pakje sigaretten. Dat je voor de dagelijkse gang naar het toilet belasting moet betalen en dat je zelfs voor het hebben van een hond een aanslag in de bus krijgt. Hoofdschuddend wordt mijn klaagzang aangehoord, totdat ik er niet meer aan ontkom het eindbedrag op mijn salarisstrook te noemen. Dan is al het vorige snel vergeten en ben ik een orang kaya; een rijk man. Nog ongemakkelijker wordt het als je naar de bank gaat om een stukje van dat salaris om te zetten in roepia. Leunend op de balie wordt door de wachtenden aan weerszijden verlekkerd meegeteld als de kassier de bundels bankbiljetten jouw richting op schuift. Ook de bewaker kijkt over je schouder mee, de rode streep op de vloer ten spijt.

Muziek in de bus op Java 2Na een dag eerder in Medan (Sumatra) te zijn aangekomen, neem ik de bus naar Parapat. Een mooie gelegenheid om iets van het dagelijkse leven te proeven, maar niet geheel zonder risico. Je moet over een sterke maag beschikken en vertrouwen hebben in de chauffeur, ondanks dat hij er gedurende de rit alles aan zal doen dat te logenstraffen. De atmosfeer in de bus is te snijden, in dikke plakken lokale geuren. Kippen, een mand met eenden, strengen gedroogde vis, groenten, fruit. Alles gaat mee. Ook pannetjes eten voor onderweg.

Met de gammele busvering en de stuurmanskunst van de chauffeur vergt het een knap staaltje acrobatiek om je lunch zonder morsen binnen te krijgen. Er is geen airco aan boord. De ramen die nog open gaan, staan open. Voor de rest heeft de koperen ploert vrij spel en hobbelen we zwetend en gistend naar onze bestemming. De bussen zien er zonder uitzondering kleurrijk uit. Beschilderd in felle tinten lijken het vuurspuwende draken die in een moordend tempo, luid toeterend langs dorpen razen. Alles en iedereen vermorzelend onder hun profielloze poten.

Na zo’n tocht voelt het weldadig om in Parapat ongeschonden op de boot te kunnen stappen met bestemming Samosir; een eiland in het Tobameer. Een prima stek om tobameerhet drukke Medan en de waanzinnige busrit van je af te laten glijden. ‘s Avonds trekken smalle vissersprauwen langs de oever voorbij, een olielampje op de voorplecht. De vissers, bijna onzichtbaar, zingend in de maat van de peddelslag. Beïnvloed door hun vroegere Spaanse en Portugese overheersers, deint de Batakse melancholie meerstemmig over het water. Ook uit de vele kroegjes klinkt gezang, veelal geïnspireerd door een lokale alcoholische versnapering die zich het best laat omschrijven als vuurwater; arak, een distillaat van melasse en gefermenteerde rijst. Een goedje waarmee je slokdarm systematisch wordt afgefakkeld en voor mij ondrinkbaar zonder toevoeging van een flinke lepel honing. Maar dan heb je ook wat. Na twee glazen krijg ik de onbedwingbare behoefte om mee te gaan zingen.

‘Lissoi,’ proost ik met Amin en Toham, die spontaan een nummer van Ry Cooder beginnen te zingen; Across The Borderline. Gevoelvol, tweestemmig en begeleid op een oude gitaar. ‘Dit gaat over ons,’ zegt Amin terwijl het applaus verstomt. ‘Over de armoede, het gebrek aan werk. Wij dromen ervan om naar het beloofde land te kunnen en te leven zoals jij.’ Ik denk aan de rode streep op de vloer van de bank, aan hun dromerige blik toen ik over mijn land vertelde.

‘There’s a place where I’ve been told
Every street is paved with gold’

rijstveldvietnamDe volgende ochtend blijkt mijn slokdarm gespaard, maar de kater is er niet minder om. Ik sta om vijf uur op en laat het koude water uit de mandiebak over mijn brakke lijf plenzen. Dan een stevig ontbijt van nasi en gebakken eieren. Met een flinke wandeling zweet ik de rest van het gif wel uit. Onderweg kom ik langs desa’s, rijstvelden en plantages. Een eenvoudig kerkje. Ik heb er ooit een zondagsviering bijgewoond. Onvergetelijk. Kinderen in schooluniform, vrouwen in de mooiste sarongs, het haar opgestoken. De mannen in pak. Ruige, pokdalige koppen in de wurggreep van een stropdas, de vierkante rechttoe rechtaan kapsels parelend van het zweet. Iedereen zong. Kippenvel.

Sawa
Bij een sawa zie ik een vrouw bezig met het planten van jonge rijst. Ze draagt een baby in een slendang. De vrouw kijkt op, glimlacht en recht haar rug. De baby wordt wakker en begint te kraaien. Met een soepele beweging haalt ze het kleintje uit de draagdoek. ‘Mooi’, zeg ik. ‘Een jongen of een meisje?’
‘Een meisje. Tetti heet ze. Hier, hou ze maar even vast.’ Onhandig neem ik het kind over. Dunne, pikzwarte haartjes, een dopneusje. Tetti kijkt me aan, spert haar ogen open en begint een keel op te zetten. Daar kan ik in komen. Nauwelijks op de wereld en dan al in het smoelwerk van zo’n bleekgezicht moeten kijken. Ik begin haar te wiegen, maar dat heeft een averechts effect. Tetti’s stemgeluid galmt over de sawa. Ik voel me ongemakkelijk en wil het kind teruggeven, maar tot mijn verbijstering ThailandRijstveldknikt de moeder ‘nee’. Ik krijg het benauwd en doe nog een poging. De vrouw blijft ‘nee‘ schudden. Het lijkt erop dat Tetti voorvoelt wat er in de lucht hangt, want haar gekrijs is inmiddels tot in de verre omtrek te horen. ‘Ik heb geen geld om haar op te voeden meneer. Bij u wordt ze vast gelukkig en als u oud bent, kan ze voor u zorgen.’ ‘En haar vader dan?‘ ‘Die is vertrokken. Neem nou, meneer, neem. Ik hoef geen geld meneer.’

Moederliefde
Hoe wanhopig kan een moeder zijn? Is dit over de grens of onbaatzuchtige, pure moederliefde? Het verwart me en ik weet niet meer wat te doen. Enkele seconden later komt mijn redding het pad af hobbelen; Toham op zijn bromfiets. Ik draai me om en laat hem het kind zien, alles in een vertwijfelde poging hem te laten stoppen. Breed lachend zet hij zijn bromfiets aan de kant. ‘Heb je voor dat kind gezongen, dat het zo huilt?’ Van pure opluchting lach ik harder dan de grap verdient. ‘Ik wilde haar net teruggeven’, zeg ik en overhandig Tetti aan haar moeder. Zonder een woord te zeggen neemt de vrouw haar baby terug. Ze stopt het kind in de slendang, draait zich om en gaat weer aan het werk. Alsof alles een boze droom was.

Bier in JakartaAls ik ‘s avonds langs een van de kroegjes loop, hoor ik Amin en Toham weer zingen;

‘But hope remains when pride is gone
And it keeps you moving on
Calling you across the borderline’
En dat zullen ze blijven doen, waarschijnlijk hun leven lang.

Share and Enjoy:
  • Print
  • email
  • Google Bookmarks
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • LinkedIn
  • NuJIJ
  • eKudos
  • MySpace
  • del.icio.us
 

Nieuwste verhalen in categorie Reisverhalen

 

Geen reacties

Reageren uitgeschakeld.

 
 
 
 

Nieuws