Reis naar het westen

Tijdens een trip in de zomer van 2010 per auto van Chengdu naar Beijing – ruim vijfduizend kilometer – was er altijd weer een verdere horizon die lonkte: de Tibetaanse graslanden van Sichuan, het Meer van Qinghai en nog verder naar ehet niemandsland van Hoh Xil. De reis naar het westen.

Door Inge Jansen

De nevel trekt op boven de graslanden van Hongyuan, donzige wolken hangen laag boven het land. Alles is bedekt met een glinsterend laagje dauw, ook de vachten van de yaks en de paarden die grazen langs de kant van de weg en van het veulentje dat in de wei soest. Het is een van de eerste dagen van deze reis en ik realiseer me: dit is uniek. Het is een gevoel dat steeds terugkomt. Als we over eindeloze, met bloemen en kruiden bezaaide graslanden rijden waar nomadententen en yaks niet groter lijken dan zwarte puntjes, maar ook als we langs dreigende legerkampen komen met tenten, vrachtwagens en zwaar geschut. Ik kijk mijn ogen uit. Naar de weidse natuur, de groene bergen, de wolken en hun schaduwspel. Naar de trotse Tibetanen met hun getaande gezichten waarin de ogen vaak schuil gaan achter donkere zonnebrillen. Naar de Tibetaanse kloosters met hun witte stupa’s, goudkleurige gebedsmolens en gekleurde gebedsvlaggen die wapperen in de wind. En ook later, als we het Tibetaanse land achter ons hebben gelaten en over zoutvlaktes rijden, door woestijnen en langs de Grote Muur. Maar dan zijn we al bijna aan het eind van de reis, die vijfduizend kilometer terug begonnen is in Chengdu.

Moeizame start
Het is benauwd warm als we vanuit Chengdu vertrekken. De eerste paar honderd kilometer rijden we door het gebied van het epicentrum van de immense aardbeving die het noordwesten van de provincie Sichuan in mei 2008 trof. De aardbeving heeft hier alles verwoest. Complete dorpen zijn ingestort en de wegen zijn praktisch onbegaanbaar geworden. Overal wordt keihard gewerkt aan de wederopbouw, maar we komen slechts moeizaam vooruit. Het is al donker als we bij het kleine dorp Miyaluo aankomen. We rijden af op het warme licht van een winkeltje dat gerund wordt door een ouder Tibetaans echtpaar, die ook kamers verhuren. Samen met de Tibetaanse eigenaren en een Chinese familie, die eveneens hier logeert, zitten we even later op lage bankjes rond een komfoor gestookt op kolen. We drinken melkthee, eten noedels, bekijken de kaart en kletsen een beetje. Als iedereen gaat slapen, doet de oude Tibetaan de deur met grote sloten op slot. Het voelt veilig, alsof we in een fort zitten waar niemand binnen kan komen.

Tibetaanse graslanden
De volgende dag zitten we al snel boven de 4.000 meter. We rijden door een schitterend, moerasachtig gebied met links van de weg de Gele Rivier. Deze rivier – die hoog in de bergen van de westelijke provincie Qinghai ontspringt – is hier nog helder, geel wordt het water pas duizenden kilometers verder naar het oosten wanneer de rivier zich een weg door het gele stof van het lössgebied baant. Wolken en bergen weerspiegelen in het water, er schijnt een mager zonnetje en yaks waden door de rivier. Verspreid over de vlakte staan de van donker yakhaar geweven tenten van de Tibetaanse nomaden, soms geïsoleerd, soms in een groepje bij elkaar, maar altijd beschermd door minstens één van de in China alom gevreesde Tibetaanse mastiffs. Het klimaat is ruig: zo schijnt de zon en is het verzengend heet, zo betrekt de lucht met donkere wolken en kan het gaan regenen, onweren of hagelen. De groene bergen, de meren, de wolken die donkere schaduwvlekken op de bergen werpen – het geeft een immens gevoel van weidsheid. Dit heeft niets meer met China te maken, het is een universum op zich waar de mensen hun eigen gang gaan.

Toeristisch Qinghai
Na een paar dagen door de oneindigheid van de graslanden te hebben gereden, bereiken we Xining – de hoofdstad van de provincie Qinghai. Midden in de nacht komen we daar aan, een zee van lichtjes en moderne gebouwen. Wat een contrast met de verlaten graslanden waar we net uitkomen! Vlak bij Xining ligt het Kumbum-klooster, een belangrijk pelgrimsoord voor de Tibetanen. Kumbum blijkt vercommercialiseerd tot in het uiterste. Bij de ingang zijn twee parkeerplaatsen waar met name grote tourbussen parkeren, het hele gebied voor het klooster is geasfalteerd en van de parkeerplaats tot aan de ingang van het klooster ligt een lange rits winkeltjes die allemaal dezelfde Tibetaanse souvenirs verkopen. De pelgrims zijn veruit in de minderheid bij de voornamelijk Chinese toeristen die in groepen van soms honderd man tegelijk de tempels binnenstromen. Eerlijk gezegd vind ik dit klooster een aanfluiting. Het is een steriele omgeving geworden en dat past niet bij Tibet en de Tibetanen, die nou eenmaal niet zo steriel zijn. Na het Kumbum-klooster rijden we zo’n honderd kilometer westwaarts, naar het Meer van Qinghai. Helaas blijkt de vercommercialisering ook hier genadeloos te hebben toegeslagen. We besluiten dit toeristische gebied de rug toe te keren en verder naar het westen te rijden, richting Golmud.

Hoh Xil
Golmud is een kleine oasestad, eenzaam gelegen midden in de woestijn. Hiervandaan loopt de N109 via Hoh Xil naar Tibet. Hoh Xil – ook bekend onder de naam Chinese naam Keke Xili – ligt op een hoogte van gemiddeld 4.800 meter in het noordwesten van het Tibetaanse Plateau. Dit is het grootste onbewoonde gebied van China (en het op drie na grootste ter wereld) en daarmee een paradijs voor honderden diersoorten, waaronder de wilde yak, de Tibetaanse antilope en de wilde ezel. Hier ontspringt ook de Tuotuo-rivier, die wordt gezien als de bron van de Yangzi. De N109 gaat in een kaarsrechte lijn door deze vlakte. In de verte doemen hoge besneeuwde bergtoppen op. Het gebied is bespikkeld met vennetjes waar aan de oevers groepjes wilde ezels en Tibetaanse antilopes grazen. Het lijkt best goed te gaan met deze bedreigde antilopensoort. De realiteit is echter dat het aantal in de afgelopen honderd jaar gedaald is van meer dan een miljoen tot nog ongeveer 75.000. De Tibetaanse antilope wordt gestroopt vanwege zijn ondervacht van zeer fijne en warme wol. Daar worden shahtoosh van gemaakt: geweven, dunne omslagdoeken die zo luxueus zijn dat ze voor duizenden euro’s per stuk verkocht worden. Sinds 2002 proberen vrijwilligers in Hoh Xil vanuit speciaal opgerichte beschermingsstations het wrede afslachten van de dieren te stoppen. Langs de N109 liggen verschillende van deze stations, die toegankelijk zijn voor bezoekers. We zouden wel eeuwig door willen rijden over die lange rechte weg die helemaal nergens heen lijkt te gaan, maar moeten echt terug. We hebben slechts een piepklein stukje van dit eindeloos uitgestrekte gebied gezien.

Wereld van zout
Vanuit Golmud steken we door naar Dunhuang in de provincie Gansu. We rijden dwars door het Qaidam Bekken, een enorme zoutvlakte met blauwgroene zoutmeren. Naarmate we verder de zoutvlakte inrijden, bevinden we ons steeds meer in een wereld van zoutkristallen. Zoutpannen die halfdroog staan hebben aan de randen kartelige witte zoutranden, het water in de vennetjes heeft een gelige kleur. Bij een groot zoutmeer verandert het gebied in een industrieterrein met overal fabrieken die het zout uit het meer exploiteren. De temperatuur buiten is enorm hoog en in deze eindeloze vlakte vormt de trillende lucht luchtweerspiegelingen. Met deze hitte, in dit vlakke land en met die luchtweerspiegelingen in de verte is het niet moeilijk voor te stellen hoe handelskaravaans en ontdekkingsreizigers in dit genadeloze landschap helemaal ten einde raad konden raken.

Stad nieuwe stijl
We passeren het Aksai Kazak Autonoom District. In de heuvels zien we kazakkententen. Op een bergkam tekent zich het silhouet af van een eenzame ruiter die vergezeld wordt door twee honden. De hoofdstad van het district is Aksai. Ongeveer tien jaar geleden is de oorspronkelijke stad tot de laatste steen afgebroken en is er een geheel nieuwe stad in oosterse stijl opgebouwd. Alles ziet er spiksplinternieuw uit, maar de straten zijn uitgestorven. De hoofdstraat is een lange, kaarsrechte weg die leidt naar een regeringsgebouw met pompeuze uivormige daken. Op de talloze kruispunten langs deze straat staan smetteloos geklede politieagenten verkeer te regelen dat er helemaal niet is. Door de straten van de stad wordt via luidsprekers heel hard het nieuws omgeroepen. Zijn we via een luchtspiegeling soms plotseling in het China van de jaren 60 terechtgekomen of in Noord-Korea belandt?

Langs de Muur
Na Dunhuang gaat de reis verder van oase naar oase over de snelweg richting Yinchuan (provincie Ningxia). We volgen grofweg de noordgrens van de provincie over de G109, de snelweg die loopt van Beijing tot aan Lhasa in Tibet. De Grote Muur loopt hier soms parallel aan de weg. Dit duizenden jaren oude cultuurgebied was ooit van groot militair belang voor China om het te beschermen tegen invallen van de buiten de Muur wonende nomadenstammen. Die geschiedenis is nog steeds zichtbaar in de inrichting van het landschap. Binnen de Muur liggen dorpen, wegen en is er landbouw. Buiten de Muur zijn alleen maar heuvels en graslanden. Uitkijkend over dit landschap dringen zich taferelen op van oprukkende nomadenlegers te paard en heftige gevechten.

Monsterfile!
Vanuit Yinchuan rijden we naar Hohhot in Binnen-Mongolië om vanuit daar het laatste stukje naar Beijing af te leggen. Een ‘kippeneindje’ van circa vijfhonderd kilometer. Voor ons gevoel zijn we al bijna thuis. Maar dan komen we terecht in een file die later zelfs de Nederlandse kranten zou halen, een monsterfile van wel honderd kilometer lang! Soms staan we uren stil, soms lukt het opeens een klein stukje te rijden. We doen uiteindelijk dertien uur over een stuk van nog geen tachtig kilometer. Diep in de nacht rijden we over de Zesde Ringweg van Beijing terug naar huis, ruim vijfduizend kilometer op de kilometerteller verder en heel veel schitterende indrukken rijker.

www.mingbai.nl

Share and Enjoy:
  • Print
  • email
  • Google Bookmarks
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • LinkedIn
  • NuJIJ
  • eKudos
  • MySpace
  • del.icio.us
 

Nieuwste verhalen in categorie Inge Jansen

 

1 reactie

 
 
 
 

Nieuws