Afghanen in de jungle


Met grote voorzichtigheid stapt de Afghaanse man voor me de touwbrug op. Dikke baard, vriendelijke ogen en een wit met zwart gewaad. Een Arabische sjaal is om zijn nek gewikkeld, hij loopt op sandalen. Hij is met zijn landgenoten en ik denk aan: Afghanen in de jungle. 

LoopbrugCanopyWalkway

Door Ate Hoekstra

Je vraagt je af wat hij hier doet, in de jungle van Taman Negara, in het hart van Maleisië. Bovendien is hij niet alleen. Het zijn allemaal Afghanen om me heen. Het moeten er zeker twintig zijn. Op één na, een jonge Nederlandse vrouw die onder de naam Astrid door het leven gaat. Astrid heeft kort rood haar, een brilletje en is als één van de weinigen gekleed op het maken van een trektocht door de jungle.

Wandelschoenen, de broekspijpen bij de sokken in (wat helpt tegen insecten en bloedzuigers) en een goed bepakte rugzak. Astrid heeft last van de tropische hitte, zoals de meeste westerlingen die hier naartoe komen. Na bijna twee weken in Maleisië en Singapore drukte die hitte op mij minder zwaar dan in het begin, maar het blijft zweten en het zal nog dagen duren voor ik echt aan dit klamme tropenweer gewend ben geraakt.

Als alle Afghanen op de eerste loopbrug staan of er reeds overheen zijn, zijn wij – Nederlanders – aan de beurt. De Afghanen in de jungle‘Canopy Walkway’ noemen ze dit. Een tocht over een stuk of wat ietwat wankele touwbruggen die enkele tientallen meters boven de grond hangen. Als ik naar beneden kijk, hoop ik enkele wilde dieren te zien. Slangen, luipaarden, tijgers, olifanten, dat soort dingen.

Maar de enige dieren die zich in deze mensendrukte laten zien, zijn muggen en hier en daar een kleurrijke vlinder. Vogels en apen zijn wel te horen, maar onzichtbaar in het dikke bladerdak van deze oeroude jungle. Het geluid dat ze maken is zo hard dat het net is of ze ons uitdagen: “zoek ons op, we durven te wedden dat je ons nooit zult vinden.”

Helmeted_Hornbill_helmneushoornvogelOp mijn weg hier naartoe zag ik wel een aap met grote snelheid door de bomen slingeren. Ook zag ik gele en blauwe, papegaaiachtige vogels. En bij de rivier waren waterbuffels, grote donkere dieren die met grote ogen voor zich uitstaarden, als koeien die vanuit een Fries weiland naar het voorbijrazende verkeer kijken.

Echt spannend wordt het allemaal niet op de Canopy Walkway. Maar dat was, ondanks de hoogte waarop we verblijven, ook helemaal niet de bedoeling. Waar het hier vooral om gaat is het uitzicht. En dat is adembenemend.

Als de touwbrug ons naar een uitkijkpunt tot bijna boven de bomen leidt, zie ik de bruine waterstroom van de rivier, de bergen in de verte en het groene woud dat, naar men zegt, uit de oertijd stamt. 130 miljoen jaar oud, ouder dan welke jungle dan ook. Ouder dan de Amazone, ouder dan het oerwoud op Borneo.

Op één van de uitkijkpunten komt een Afghaan bij me staan. Hij wil weten waar ik vandaan kom, zoals eigenlijk elke Aziaat die ik tegenkom dat wil weten. Vervolgens wil hij met mij op de foto. Waarom is me een raadsel, maar ik kan me goed voorstellen dat, als hij over een paar weken weer thuis is, onze foto boven de bank komt te hangen.

Vervolgens wil hij weten of de Nederlandse die achter me loopt mijn vrouw is. Hij lacht naar me met een vreemd soort van opwinding in zijn ogen.
“Nee”, antwoord ik.
“Ah, je vriendin?”
“Nee. We hebben elkaar net een halfuur geleden voor het eerst gezien.”
De Afghaan kijkt me lachend aan, maar zwijgt en vervolgt zijn weg over de touwbrug.
“Ze denken dus direct dat we getrouwd zijn”, zegt Astrid, die inmiddels naast me is komen te staan. “Ze zijn vast niet gewend aan vrouwen die alleen het oerwoud in gaan,” reageer ik.
Wat de Afghaan ook mag denken, het is toeval dat we elkaar als Nederlanders tegenkwamen. Geen vooropgezet plan, gewoon een toevallige ontmoeting, zoals dat tijdens het rondreizen door een land als Maleisië regelmatig gebeurt. En wat doe je, als er twintig Afghanen zijn, drie Maleisiërs en één Nederlander? Juist. Je besluit een beetje bij elkaar in de buurt te blijven.

De Afghanen hebben hun vrouwen ook meegenomen. Ze zijn schuchter, een beetje verlegen, glimlachen naar ons, naar de twee enige blanken in de groep, maar zeggen niets en blijven op afstand. Als één van hen, een jonge vrouw met een wit hoofddoekje, de touwbrug oversteekt begint de brug te wiebelen. Ze schreeuwt iets onverstaanbaars. De andere vrouwen giechelen. Ze roept opnieuw. Er zit angst in haar stem. Misschien bang om naar beneden te vallen en in de jungle verscheurt te worden door een wilde tijger. Maar vallen is hier bijna onmogelijk. De touwen zijn te sterk en het net waar de brug zich tussen bevindt is zo ver omhoog gespannen dat het geen optie is er overheen te donderen. Het ergste wat kan gebeuren is struikelen en tegen het net vallen. Of de touwen moeten breken. Dan ontstaat er wel een andere situatie.

Taman-NegaraAls we na een klein uur de loop over de touwbruggen hebben afgelegd, wil een Afghaan met Astrid en mij op de foto. Wetende dat er een grote cultuurkloof tussen ons in hangt, neem ik de moeite niet meer uit te leggen dat wij niet getrouwd zijn, elkaar pas een uur geleden voor het eerst hebben ontmoet, we elkaar na de Taman Negara waarschijnlijk nooit weer zullen zien en ik weinig meer weet dan dat zij Astrid heet en uit Nederland komt.

Laat die Afghaan de foto maar maken voor boven de bank, denk ik. Sommigen zien er opgelucht uit, nu ze de Canopy Walkway hebben overleefd. Eén van de vrouwen heeft zelfs haar hoofddoekje afgezet. Of misschien heeft ze die nooit gedragen, dat kan ik niet met zekerheid zeggen.

Dan loopt een vrouw met een roze hoofddoek, een zwartwitte jurk en witte slippers naar ons toe. Ze heeft een kleine, compacte camera in haar hand, kijkt en klikt. De imam volgt het hele gebeuren vanaf een afstand. Hij knikt goedkeurend. Ik hoop dat ik er lachend op sta.

 

Share and Enjoy:
  • Print
  • email
  • Google Bookmarks
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • LinkedIn
  • NuJIJ
  • eKudos
  • MySpace
  • del.icio.us
 

Nieuwste verhalen in categorie Maleisië

 

Geen reacties

Reageren uitgeschakeld.

 
 
 
 

Nieuws